Gecultiveerd klaplopen

Het leven is kort en het laatste wat we willen is onze tijd verknoeien. Handelen en nuttige dingen doen, lijkt dan ook de boodschap. Filosoof John Hodgkinson meent nochtans dat voortdurend in de weer zijn zo zijn kwalijke kanten heeft en richtte in Londen de ‘Idler Academy for Philosophy, Husbandry and Merriment’ op. Daarin promoot hij nochtans alles behalve leegheid maar een leuke, leerrijke en wel gevulde vrije tijd.

Komt het beste altijd en noodzakelijk voort uit hard en gefocust werken? Heeft ‘ledigheid’ dan helemaal geen nut? En wat is ledigheid nu helemaal?

Over tijdsbesteding wordt ook wel in stereotypen gedacht, na een volle dagtaak is het perfect aanvaardbaar dat je lui voor de televisie wegzakt en doorslikt wat men je presenteert. Maar als je een dag besteedt aan het leren van absoluut onnuttige, overbodige en misschien ietwat archaïsche dingen dan weet je wel zeker dat je niet productief bent geweest.

Dat is nochtans precies wat de Britse filosoof John Hodgkinson en Victoria Hull doelbewust nastreven met hun in 2011 opgerichte ‘Idler Academy for Philophy, Husbandry and Merriment’. Mensen moeten zich leuk bezighouden, hun geest verrijken en zelfs wat handvaardigheden verwerven. Zo maken ze zich weerbaar tegen de veeleisende maar enge samenleving die nu de levensstijl opdringt en waarmee het toch niet bepaald de goede kant opgaat. Momenteel kunnen we alleen maar vaststellen dat de menselijke hyperactiviteit de wereld vernietigt, aldus Hodgkinson.

‘Libertas per cultum’ of ‘vrij door cultuur’ is het motto van de ‘Idler Academy’.

Doen door het niet te doen

John Hodgkinson weet zich overigens in goed gezelschap om de interne strijd van zowel samenleving als individu te beslechten. Al eeuwenlang dringt zich de vraag op wat het beste is, een contemplatief of een actief leven. Al bijna even lang domineert de werkethiek. Wie niets voortbrengt maakt zich schuldig aan ledigheid. Een vakantie mag wel, zij het als recuperatie voor het gedane werk of als voorbereidende investering in een volgende zware periode.

Uit het oosten komt nochtans het Taoïstisch ‘Wu wei principe’, het weten wanneer te handelen of integendeel juist niets te doen. Ook zegt Wu Wei dat je ‘het doet door het niet te doen’. De paradox bestaat erin dat je wel een beoogd resultaat kunt bereiken door niet in te grijpen. Precies zoals water  altijd de weg van de minste weerstand volgt maar wel met een bijzondere, onstuitbare kracht.

Ook in het oude Athene, de bakermat van de westerse filosofie, werd grote waarde toegekend aan de vrije tijd in de zuivere betekenis van het woord. Het oude Griekse woord ‘scholè’, waarvan ons woordje school komt, betekende oorspronkelijk vrije tijd, houdt Hodgkinson voor.

Enkel vrije mensen konden het zich veroorloven om te leren, slaven kwamen er niet aan toe want zij deden het werk.

Socrates leerde mensen denken, wat op zich onnuttig en onproductief was maar wel bevrijdend. Hij stelde ook dat de markt vol overbodige dingen lag die men niet noodzakelijk hoefde te kopen. Plato was een aristocraat en Aristoteles zette zijn leven in dienst van het leren, vertelt Hodgkinson.

In het oude Rome was men minder ‘ijdel’. Niet dat men er zo van werken hield maar des te meer van oorlog voeren.

Christus was volgens Hodgkinson ook een leegloper, hij predikte over de bloemen in het veld die  zich nergens voor inspannen en er toch prachtig uitzien. En God volstond met zes dagen scheppen en een volledige dag contemplatie, als iemand de kunst van het niets doen verstaat, is hij het wel.

In de middeleeuwen leefden de kloosterlingen en de monniken, in de geest van Sint Franciscus in gebed, studie en wat handenarbeid. Het echte werk lieten ze aan de gilden en de ambachtslui over. Ook Thomas van Aquino combineerde een intellectueel leven met dat van bedaarde genietingen. Te hard werken werd toen immers als arrogant beschouwd.

De reformatie en de puriteinen vonden de Rooms-Katholieken dan ook niet minder dan profiteurs en hamerden op de werk ethos.

In de achttiende eeuw ging men zich te buiten aan spitsvondige gesprekken en geschriften, de leeglopers werden nu briljante geesten en cultiveerden hun conversaties in de salons en de koffiehuizen die steeds talrijker werken.

De Victoriaanse tijd nam volop revanche en liet ieder rennen tegen de klok, aldus Hodgkinson. Maar de aristocraat moest en zou zijn tijd in ledigheid doorbrengen, als hij al zou werken dan wel in het geniep.

Tot de rand gevulde ledigheid

‘The Idler’ was de naam van een reeks essays in de achttiende eeuw geschreven door de Brit Samuel Johnson, een intellectueel die het eerste Engelse woordenboek tot stand bracht en talloze literaire geschriften naliet. Zeker geen leegloper dus, zij het dat hij zijn werk graag snel afhandelde en zichzelf tot zijn laatste dag voornam om vroeger op te staan.

In Hodgkinson zit dezelfde tegenspraak. Hij doet er alles aan om ontspannen, vrolijk en vrij over te komen. Vooral wanneer hij naar zijn geliefd maar weinig pretentieus muziekinstrumentje de ukelele  grijpt, geeft hij aan dat je hem en zijn filosofische kennis niet te ernstig moet nemen. Dat laatste is een bijproduct van het spelend leren dat hij voor zichzelf, zijn eigen kinderen en zijn publiek toepast.

Alle activiteiten van ‘The Idler Academy’ verlopen dan ook in die geest. In de Londense boekenwinkel met aansluitend koffiehuis is het aangenaam toeven. Op het programma staan de meest uiteenlopende cursussen, van grammatica om helder te leren denken, over tuinieren, schaken, filosofie, kunstbeleving, zingen tot, uiteraard, ukelele spelen.

Maar als er zoveel te leren valt, is de tijd van de leeglopers wel tot de rand toe gevuld.

www.idler.co.uk

bron: Feest van de Filosofie KULeuven

, , , ,

Nog geen reacties

Leave a Reply